Welkom bij Buffel & de Bladluis en umami.school
meer smaak bij educatie
Wat?

      

  • Teksten over dieren, planten, landschappen, historie, gezondheid en nog veel meer. Zowel fictie als non-fictie.
  • Beeld: zelf maken, zoeken of laten maken.
  • Televisie, film
  • Tentoonstellingen
  • Powerpoint presentatie
  • Persberichten
  • Interviews
  • Advies
  • Creatieve denktank.
  • Biocheck, check welk dier er op die foto staat.

 

In 1990 heb ik een boek geschreven Het Rijk te Kijk voor uitgeverij Strengholt over het gedrag van dieren. In 2010 is dit bijzonder aardige dierenboek wat bijgesteld en opnieuw uitgebracht als E-book onder de titel De aard van het beestje door PixelPerfect Publications Den Haag. Het is te bestellen bij bol.com. Hier volgt alvast het voorwoord en het hoofdstuk over de Kikker.

 





Voorwoord

  Er was eens een tijd dat de dieren vanzelfsprekend met elkaar en de mensen omgingen. De haas daagde de schildpad overmoedig uit voor een hardloopwedstrijd en de grote, boze wolf deelde Roodkapje zo onschuldig mogelijk mee dat zijn grote oren er voor dienden om haar beter te kunnen horen. Met het vervliegen van de kleuterjaren werd het duidelijk dat de dieren in werkelijkheid helemaal niet konden praten, net zo min als Sinterklaas met zijn schimmel langs elke schoorsteen trok. Maar dat mocht de pret niet drukken. Met pakjesavond kwamen er gewoon cadeaus en ik genoot tot in de pubertijd van de ongelooflijke, maar mooi geïllustreerde avonturen uit het grote beestenbos. Moeiteloos verbleef ik in deze fabelachtige wereld en raakte vertrouwd met alle helden en schelmen uit het dierenrijk. De suffe beer die in zijn honingzucht in een konijnenhol blijft steken, het schattige hertje dat over een vijver schaatst, of de gemene, zevenkoppige draak die telkens het onderspit delft tegen de koene ridder.

  Aan de andere kant was er het dierenrijk van de 'echte' wereld. De levende natuur, die je met eigen ogen rond het huis, de tuin of de vijver zag dartelen, en waarvan je op school of uit spectaculaire fotoboeken kennis nam: van de sprongkracht van de vlo tot de baard van de walvis. Ook dit rijk boeide me enorm en gebiologeerd zoog ik de informatie over deze aardse wezens, die minstens zo wonderbaarlijk waren als de sprookjesfiguren, in me op. Hierbij ging het vooral om het uiterlijk en de leefwijze van de dieren - over hun aard werd alleen vermeld of het dier nuttig of schadelijk was voor de mens. Van al die dieren in boeken, televisieseries en natuurgebieden maakten de dierentuindieren verreweg de meeste indruk. In die lome, gekooide wezens meende ik zowel de weemoedige bewoners van verre streken, als de getemde feeksen uit legendes te herkennen.

  Op de een of andere manier botsten de twee dierenrijken niet. De draak uit de sagen leefde net zo makkelijk in mijn hoofd als de dinosaurus uit de prehistorie. Later dreven de werelden uit elkaar. De mythen bleven ergens op de achtergrond hangen, om slechts af en toe bij een roman, een komische strip of een vluchtig vooroordeel op te duiken. De wetenschappelijke kant schreed alsmaar voort, tot en met een studie biologie toe. Als het daarbij al om het karakter van dieren ging, werd daarmee het morfologische verschil bedoeld, bijvoorbeeld in de bouw van het skelet, waarmee soorten van elkaar kunnen worden onderscheiden. Over de inborst van dieren werd nooit een zinnig woord gesproken, hoogstens werd het lacherig aan de kant geschoven, verbannen naar de wereld van de fantasie.

  In dit boek heb ik geprobeerd om de beide dierenrijken, die mij zo fascineren, met elkaar te verbinden. Daarvoor heb ik van een aantal bekende dieren geschetst welke aard hen vanuit het volksgeloof is toegedicht, en dit vervolgens vergeleken met de wijze waarop ze volgens de recente natuurwetenschappelijke inzichten leven. Niet zozeer om te bepalen wat nu waar is en wat verzinsel, maar meer uit nieuwsgierigheid in hoeverre de fabels en feiten elkaar tegenspreken of versterken. Tevens leveren beide invalshoeken een completer beeld van de leden van het dierenrijk. Een wolf is nu eenmaal niet alleen het sociale dier, dat volgens de gedragsonderzoekers zo goed voor zijn jongen zorgt, maar tevens het onuitroeibare dier, dat als een wolf in schaapskleren door onze gedachten spookt.

  Bij het beschrijven van de dieren heb ik me beperkt tot een twintigtal beesten, die zeer algemeen in de volksmond voorkomen, maar waarvan de feitelijke gedragingen nauwelijks te controleren zijn voor datzelfde 'volk'. Papieren tijgers die te zeldzaam zijn (geworden) om in het wild aan te treffen, boekenwurmen die te klein of te eng zijn om naar te kijken, en nachtmerries die niet goed in het duister kunnen worden onderscheiden. Van een hond merkt iedere eigenaar zelf snel genoeg in welke mate zijn viervoeter zich neerlegt bij of afzet tegen het trouwe vooroordeel. Bij de beruchte slang of haai zijn er daarentegen slechts weinig mensen die het 'geluk' hebben om het vermeende venijn te kunnen vergelijken met hun eigen ervaringen. Deze verhalen bieden hopelijk een prettig alternatief om inzicht te krijgen in de leefwijze van deze bekende onbekenden, en geven de lezer de mogelijkheid om een fris oordeel te vormen over de verscholen karakters van het dierenrijk.

 

 

7 De kikker

  De koele prins uit de poel
 
 
  Het sprookje was bijna uitgeroeid
 
  Koud glibberig en kwakend duikt de kikker in een aantal bekende sprookjes op. De bloedmooie prinses met de blozende wangen tuit haar lippen en kust de lelijkerd boven op zijn brede kop of gooit hem juist vol walging tegen de muur, zoals in de versie: De kikkerkoning of IJzeren Hendrik van de gebroeders Grimm. Hoe het ook zij, de kikker verandert in alle verhaaltjes van een afstotend schepsel plotsklaps in een trouwlustige koningszoon en de twee leven nog lang en gelukkig. De meeste gewone vrouwen vinden een kikker maar vies en peinzen er niet over om de enge gladjakker aan te raken, laat staan te kussen, ook al zouden ze er een droomprins mee kunnen veroveren. Toen de kikvors nog zeer algemeen voorkwam pakten kwajongens ze wel op om op te blazen of om een meisje aan het schrikken te maken door het enge dier in haar blouse te laten glijden. Omdat de kikker vaak koud en nat aanvoelt werd hem tevens een kil en onaangenaam karakter toegeschreven. We hebben het nog steeds over een koele kikker of zo koud als een kikker bij mensen die hun emoties niet tonen. Kermit the Frog is als kwakende presentator van de Muppetshow uiterst cool en gaat daarbij zelfs niet in op de avances van de vurige Miss Piggy.

  In vroeger tijden gaf men heetgebakerde of koortsige mensen wel kikkervlees te eten, om af te koelen. Vanuit de christelijke cultuur was de kikvors weinig geliefd, tenslotte was het de tweede plaag waarmee God de Egyptenaren strafte toen zij Mozes en zijn volk niet lieten vertrekken (Exodus 8: 2-14). Fijnproevers hebben de kikker in de loop van de tijd leren waarderen en zijn vooral dol op hun gespierde billetjes. Wetenschappers hielden meer van het simpele zenuwstelsel van de kikvors waar ze allerlei reactieproeven mee konden uithalen. Uiteindelijk was het echter de milieuvervuiling waardoor hun aantal 'per ongeluk' sterk achteruit ging en ze bijna uitstierven in ons kikkerlandje. De amfibieën legden massaal het loodje door de grote hoeveelheden ddt die na de oorlog werden ingezet om insecten - het hoofdvoedsel van de kikker - te vergiftigen. Vanaf de jaren zeventig zijn de groene en de bruine kikker aan een come-back begonnen in Nederland. Hun leefgebied verbeterde, onder andere door het verbod op een aantal bestrijdingsmiddelen en een wettelijke bescherming van de volwassen dieren sinds 20 oktober 1973. Hun eieren en larven staan ook op de lijst van dieren die niet gevangen genomen mogen worden, tenzij ze voor educatieve doeleinden in een schoolklas of iets dergelijks worden gehouden.

 

  Van vis tot landdier
 
  Met de neus tegen de groezelige weckfles kunnen nog steeds hele generaties kinderen in de warme keuken van het ouderlijke huis of het schoollokaal toezien hoe het wonder der natuur zich van dag tot dag voltrekt. In de uit de sloot geschepte brij vinden spoedig allerlei geheimzinnige bewegingen plaats en na een paar dagen maken zich kleine visjes los uit de gelei. Ze zwemmen met hun lange staarten door de pot en happen met hun bekjes naar de waterplanten, indien die erin gehangen zijn. De donderkopjes zijn inmiddels om adem te halen overgegaan van kleine vertakte uitwendige kieuwen op inwendige kieuwen. Dat is moeilijk te zien voor de aandachtige kinderogen, maar het betekent wel dat ze het water trouw moeten verversen om de verdere groei te kunnen zien. De visjes krijgen een dikke kop en op een gegeven moment verschijnen er kleine achterpootjes, die spoedig uitgroeien tot flinke roeispanen. De voorpoten volgen en de staart schrompelt ineen. De verandering van dril tot kikker is voltooid. De diertjes krijgen nu longen en moeten in het plantsoen of de groene wei worden uitgezet om verder te kunnen leven.

  De sprookjesachtige ontwikkeling die in een paar weken tijd in de glazen pot kan worden waargenomen is min of meer vergelijkbaar met het trage evolutieproces, waarbij ruim driehonderd miljoen jaar geleden een groep vissen - waarschijnlijk kwastvinnigen - zich tot de eerste gewervelde landdieren ontwikkelden. De amfibieën zijn nooit helemaal losgekomen van hun natte verleden. Kikkers ademen deels door hun longen en deels door hun dunne huid. Daarvoor moeten ze hun vel met klieren vochtig houden en verliezen ze veel vocht. Veel kikkersoorten leven dan ook in vochtige streken en wagen zich zo min mogelijk in droge lucht of fel daglicht. Padden kunnen veel beter tegen de droogte met hun verhoornde, wrattige huid. Deze pokdalige amfibieën hoeven niet te ademen door hun huid, ze kunnen voldoende zuurstof krijgen met hun longen. Voor het grootbrengen van hun broed moeten de padden, net als de kikkers, nog wel terugkeren naar het waterige milieu van hun oorsprong.

  De kikker gaat en staat waar het bloed kruipt en zijn tenen hem dragen
 
  Kikkers zijn koudbloedig. Hun lichaam neemt ongeveer dezelfde temperatuur aan als de omgeving. Ze kunnen hun warmte enigszins bijsturen door in of uit de zon te schuiven of een verfrissende duik te nemen, maar ze blijven behoorlijk afhankelijk van de weersomstandigheden. De meeste van de circa vijfduizend soorten amfibieën bevinden zich dan ook in de constante warmte van de tropen. Toch weten enkele koudbloedigen zich in ijzige streken te handhaven. De bruine kikker komt voor tot op het eiland Mageroy, het meest noordelijke puntje van Noorwegen. De meest barre periode overleven ze door een winterslaap te houden, teruggetrokken onder een deken van ijs. De ademhaling en het hart kunnen zelfs stoppen om pas weer met het smelten van de sneeuw op gang te komen.

  In Nederland graaft de bruine kikker zich in voor de winter op de bodem van een sloot of plas. Zijn innerlijke wekker loopt in maart af, waarna hij stijfjes uit zijn hol kruipt en er op uittrekt om zich voort te planten. De andere algemene kikkersoort in ons land, de groene kikker, komt pas in mei in actie. De groene en bruine kikkers zijn echte waterliefhebbers. Ze hebben zwemvliezen tussen de tenen van hun lange achterpoten om sneller vooruit te komen met de 'schoolslag'. Andere soorten als de blaasoppies wroeten een groot deel van hun leven onder de grond en hebben kortere poten met harde puntige tenen om beter te kunnen graven. Sommigen hebben tevens een scherpe snoet om sneller ondergronds te schuiven. Als steun tussen de gladde takken en bladeren hebben boomkikkers weer kleverige kussentjes aan de uiteinden van hun tenen en vingers. Met deze zuignappen kunnen ze zelfs tegen glas opklimmen.

  Eten ...
 
  Volwassen kikkers eten allerlei kleine diertjes die in hun omgeving kruipen, springen of vliegen. Ze verslinden vooral insecten - de druifgrote dwergklauwkikker kan wel een kleine honderd muggen per nacht weghappen -, maar ook wormen, spinnen of andere kikkers staan op hun menu. De hoornkikker uit Zuid-Amerika weet zelfs muizen en ratten op te slokken met zijn grote bek. Het is belangrijk voor de meeste kikkersoorten dat ze een schutkleur hebben. Zo kunnen ze hun prooi dicht genoeg te kunnen benaderen, zodat ze het insect met een snelle uitval kunnen grijpen. Hierbij kan hun kleverige tong razendsnel uitrollen om bijvoorbeeld een vlieg midden in zijn vlucht vast te plakken. De tong zit niet aan de achterkant, maar helemaal voorin de mond vast, waardoor de klaptong verder uitgestoken kan worden. Om zijn slachtoffer of vijand te ontdekken heeft een kikker een stel uitstekende ogen. Bij de groene kikker, die vaak vanuit het water jaagt, staan de bolle ogen helemaal boven op zijn kop. Zonder zijn hoofd te bewegen kan hij 'in één oogopslag' alles rondom hem zien bewegen. Hiermee heeft hij een van de grootste gezichtsvelden van alle gewervelde dieren. Hij kan een prooi zowel voor zich, als boven zich en zelfs achter zich, in de smiezen houden, met beide ogen, zodat hij kan inschatten op welke afstand het hapje zich bevindt. Alleen van onderen kan hij niets zien aankomen. Om zijn kwetsbare uitpuilende ogen schoon te houden en te beschermen voor zwiepende grassprietjes en dergelijke, heeft een kikker een derde oogvlies. Bovendien kunnen kikkers hun oogballen een eindje in de kassen trekken. Dit helpt tevens om voedsel naar binnen te duwen bij het slikken. Het lijkt of een kikker knipoogt bij het eten maar hij schraapt slechts zijn keel.

  ... en gegeten worden
 
  Voor kikkers is het verstandig om een verborgen en beschut leven te leiden. Niet alleen om prooidieren te kunnen verrassen, maar vooral ook om hun vijanden zoveel mogelijk te ontlopen. Een kikker staat aan vele gevaren bloot. Vogels, vissen, en vooral slangen hebben het op hun vlees voorzien. Toch zijn er een aantal soorten kikkers, vaak niet groter dan een paar centimeter, die onbezorgd door het loerende oerwoud huppelen. Deze kikkers zijn bewapend met krachtige chemische afweerstoffen en hebben felle kleuren om duidelijk te laten zien dat je hen beter niet kunt proeven. Het gif dat enkele leden van de familie gifpijlkikkers uit hun huidklieren kunnen persen is de meest dodelijke stof uit het dierenrijk. Een honderdste milligram van dit spul is voldoende om een mens te laten sterven. Daarbij vergeleken is arsenicum een volkomen onschuldig stofje. In principe kun je de gifkikkers wel beetpakken, zolang je maar geen wondjes hebt of je vingers aflikt. Indianen in Zuid- en Midden-Amerika gebruikten de gifkikkers om ze te roosteren en hun pijlpunten in de melkachtige stof te dopen die de stervende diertjes afscheiden. De aap (of mens) die door zo'n gifpijl geraakt wordt, raakt onmiddellijk verlamt en tuimelt uit de boom. Waarschijnlijk is hij al dood voor hij de grond raakt.

  De meeste kikkers zijn niet giftig en willen vooral niet opvallen. Ze leven vaak 's nachts en hebben camouflagekleuren. Ze hebben dezelfde teint als hun omgeving, verschieten als een kameleon van kleur of zijn zo doorzichtig als de glaskikker dat je alleen hun hart en darmen kunt zien. De groene kikker is in de zomer bijna onzichtbaar tussen het groene kroos van een Hollandse sloot. Aan de onderkant is hij wittig, waardoor hij ook voor een vis moeilijk is te onderscheiden tegen de heldere hemel. Tijdens de winter is de groene kikker echter bruin, dezelfde kleur als de modder waarin hij zich terugtrekt voor de kou.

 

  Koud bloed, hete liefde
 
  In de paartijd verandert het schuwe gedrag van de kikkers totaal. Springend haasten de mannetjes zich naar een poel, waar ze ook overdag luid kwakend hun aanwezigheid kenbaar maken. Ze lopen veel meer gevaar en velen worden dan ook gegrepen door een roofdier of autoband. De mannetjes kunnen zo hard brullen doordat ze kwaakblazen hebben. De groene kikvorsman kan er twee tot knikkerformaat oppompen, die dan als ballonnetjes aan beide zijden van zijn kop naar buiten ploppen. De bruine kikker heeft inwendige blazen in het midden van zijn keel. Ze kunnen er veel minder hard mee kwaken en doen het vaak onder water. Dat kan omdat kikkers vreemd genoeg met hun mond en neus dicht schreeuwen. De roep van veel kikkersoorten lijkt overigens helemaal niet op het bekende klagende geluid dat de groene kikkers van de Hollandse polders uitkwaken. Sommige soorten boomkikkers zingen prachtige duetten, anderen keffen als honden, loeien als koeien of fluiten als onbeschofte bouwvakkers die de aandacht willen trekken van een passerende vrouw.

  Het temperament van de Hollandse kikkers is beslist niet zo kil als hun lichaamstemperatuur in het prille voorjaar. De mannetjes doen hun uiterste best om de wijfjes te lokken en bespringen alles dat zich in hun poel beweegt met blinde hartstocht. Ze kunnen in de paartijd gemakkelijk voor de gek gehouden worden door een stok of nog beter een ballon door het water te zwiepen. Een gegrepen tak wordt spoedig losgelaten, maar als het omklemde voorwerp zacht is en ongeveer dezelfde afmeting heeft als een vrouwtje, dan houdt het mannetje dit stevig omarmd. Een kikvorsman die per vergissing door een andere mannelijke kikker op zijn rug gesprongen wordt, zal een afweergeluid maken en naar achteren trappen. De vrijer merkt dat hij de verkeerde te pakken heeft en laat snel los, in de hoop dat de volgende gewilliger is. Heeft hij de goede besprongen dan kan hij haar wel een aantal dagen omhelzen, totdat het wijfje de eieren legt en het mannetje zijn zaad erover stort en zijn greep verslapt. Kikkers krijgen zelfs eelt in de paringstijd om zich beter aan hun gladde partner te kunnen vastklampen. Bij het mannetje verschijnen een paar ruwe donkere knobbels op de voorpoten, waardoor hij meer grip heeft op de oksels van zijn geliefde. Enkele soorten krijgen tevens eelt op de borst of vormen daar een kleefstof waarmee ze aan het vrouwtje gekit worden. In hun ijver gaan de kikkers soms zover dat een wijfje door meerdere mannen tegelijk gepakt wordt. Als de ene minnaar om haar buik en de ander om haar rug bungelt, kunnen de twee rivalen elkaar niet wegtrappen, waardoor het vrouwtje in een enkel geval verdrinkt in de omklemmingen van haar geliefden. Om de moordende concurrentiestrijd te voorkomen hebben kikkers hun paarpoel vaak verdeeld in gebiedjes, die ze door te dreigen en te vechten verdedigen. De mannetjes in het centrum van het kwaakkoor hebben de grootste kans om een vrouwtje te verwerven, de buitenste dieren zullen moeten proberen om een betere positie te veroveren. Brulkikkers zijn beruchte vechtersbazen. Opgeblazen als sumoworstelaars drijven de mannen op elkaar af, pakken elkaars voorpoten, trappen met hun achterpoten en proberen hun rivaal op de rug of onder water te duwen. Nog fellere driftkikkers zijn enkele kleine tropische boomkikkers, die elkaar rechtopstaand op een blad bestrijden. Als de een de ander over de bladrand duwt, gaan ze zo nodig gewoon verder op een lager gelegen plantendeel.

  Broedzorg: slechts een enkele ouder koestert warme gevoelens
 
  De meeste kikkers laat de zorg voor het nageslacht volkomen koud. Bruine kikkers leggen grote hoeveelheden eieren, die aan het wateroppervlak komen te drijven. De ouders verlaten na de paring de poel om opnieuw in winterrust te gaan. Dat is maar goed ook, omdat er in maart nog zo weinig voedsel is dat ze anders waarschijnlijk hun eigen kroost zouden opeten. De zwarte eieren warmen snel op in de vroege voorjaarszon en de kleine kikkervisjes kunnen spoedig beginnen aan hun angstige leven in het kille water. Meestal zijn ze door hun ouders in een poel gelegd waar geen vissen in zwemmen. Maar naast roofvissen blijven er nog voldoende gevaren over. Slechts een klein deel van de circa tienduizend eitjes dat een ouderpaar legt zal zich tot een kikker kunnen ontwikkelen en springlevend de 'poel des verderfs' verlaten. Enkele kikkersoorten in de vochtige wouden van de tropen vermijden deze gevaren door hun dril in de regentijd in een klein plasje water in de bomen te leggen. Bijvoorbeeld in het hart van een bromelia waarin een bodempje water blijft staan tussen de bladeren.

  De Zuid-Amerikaanse smidskikker, met een paarroep als een hamerslag, bouwt zijn eigen vijvertje van modder op de grond. Er zijn ook kikkers die hun eitjes op een blad deponeren in een vochtige gelei of in een gemeenschappelijk schuim- nest. Voor het laatste scheiden een aantal wijfjes een eiwitachtige stof af die de mannetjes met hun achterpoten tot schuim kloppen. Het omhulsel blijft van binnen vochtig, zodat de larven veilig tussen de takken kunnen opgroeien. Na een regenbui spoelen de kikkervisjes uit de boom om hun ontwikkeling in het water voort te zetten. Mannetjes van de tweekleurige gifpijlkikker verzorgen hun eitjes eerst op de grond, nemen vervolgens de uitgekomen larven op hun rug en zetten ze, vlak voordat ze in kikkertjes veranderen, af bij het water. Het meevoeren van het broed is ook van de in Limburg voorkomende vroedmeesterpad bekend. Deze paart op het land, waarna het mannetje de strengen met eieren om zijn achterpoten slaat. Hij houdt zijn 'drilbillen' nat en zorgt ervoor in een poeltje te zijn als de dikkopjes uit hun eitjes zwemmen. In Chili komt een kikker voor die de larven in zijn keelzak uitbroedt. Hij heeft letterlijk een kikkers in zijn keel, die pas uit de mond van hun zorgzame vader kruipen als ze volgroeid zijn. Ten slotte is er nog een tweetal kikkersoorten in de bergen van Afrika die levendbarend zijn en die samen met de keelbroeders en enkele padden de enige amfibieën zijn die niet meer afhankelijk zijn van het water. De rest van de kikkers heeft nog wel het typische dubbele karakter van een amfibie (letterlijk: tweeslachtig leven) - zowel op het land als op het water, koudbloedig en heetgebakerd, een koele kikker en opgeblazen standje tegelijk. Waarschijnlijk vormde hun gespleten aard ook de aanzet voor de gedachte dat een eng en glibberig dier best eens door een kus in een lieftallige prins zou kunnen veranderen.