Welkom bij Buffel & de Bladluis en umami.school
meer smaak bij educatie
Wat?

      

  • Teksten over dieren, planten, landschappen, historie, gezondheid en nog veel meer. Zowel fictie als non-fictie.
  • Beeld: zelf maken, zoeken of laten maken.
  • Televisie, film
  • Tentoonstellingen
  • Powerpoint presentatie
  • Persberichten
  • Interviews
  • Advies
  • Creatieve denktank.
  • Biocheck, check welk dier er op die foto staat.

 

Het bos ingestuurd

In samenwerking met de Vereniging Natuurmonumenten heb ik vier korte verhalen geschreven voor de jeugd. Het zijn spannende verhalen die boswachters over 'hun' bos wisten te vertellen, omgewerkt voor kinderen van 10 tot 12 jaar. Kinderen spelen daarin de hoofdrol. Hier volgt een van die verhalen, de Groene jager, wat zich afspeelt op het landgoed Eerde in Overijssel. Het leuke is dat de plekken die in het boek genoemd worden ook in het echt te bezoeken zijn.

 

De Groene Jager

Bijna elke zondagochtend gaat Hedwig in alle vroegte op geestenjacht. Dat doet ze al sinds haar tiende verjaardag. Ze was die nacht zo opgewonden, dat ze niet goed kon slapen. Toen ze voor de vijfde keer wakker werd, besloot ze maar een eindje door het bos te gaan rijden. Op haar splinternieuwe fiets suisde ze over de verlaten Hammerweg, in de richting van Ommen. Voorbij het Hammerzwembad sloeg ze de Blekkenhorstweg in. Op deze hobbelige laan van het landgoed Eerde was het al snel volkomen donker. Het bos hield het licht van de straatlantaarns van de Hammerweg tegen. En op haar nieuwe fiets zat nog geen lamp. Hedwig moest dan ook wel stoppen. Na een paar minuten zag ze iets meer. Tussen de zwarte bomen schemerde het zand van de lange laan. Met de fiets aan de hand kon ze haar weg vervolgen. Het liep tegen vijven en de eerste vogels lieten zich horen. Ook hing er af en toe een flard mist over de laan. Een van die flarden loste niet op. Ook niet toen ze dichterbij kwam... Het was... Het was overduidelijk een geest. Hoe zou je anders kunnen verklaren dat zijn hoofd licht uitstraalde, terwijl de rest van zijn lijf doorzichtig was?

 

Het was een jonge geest. Niet ouder dan veertien jaar, schatte ze. Hij had goudblond haar en droeg een vilten hoed met drie groene veren. Zijn gezicht was lijkbleek, zijn mond vuurrood en zijn ogen hemelsblauw. Die ogen waren nu vlakbij en keken Hedwig doordringend aan. Toch leek het net of hij haar niet opmerkte. Want toen Hedwig zonder een spoor van verbazing zei: 'Hallo jongen, waarom geeft jouw gezicht licht?' gleed hij verschrikt opzij. Helemaal aan de linkerrand van het pad glipte hij langs haar heen. Toen zweefde hij snel voort over de Blekkenhorstweg. Verderop, richting Hammerweg, versmolt hij met de schemering. Tijdens het passeren had geen voetstap geklonken. Hedwig hoorde enkel maar een vreemd, zacht geruis. Alsof iemand een wastafelkraan open had laten staan.

 

Na deze eerste ontmoeting was Hedwig al bijna zestig nachten op pad geweest. Meestal op zondag in alle vroegte. Maar in de vakantie ook op andere ochtenden. Zeker tien keer was ze daarbij een geest tegengekomen. Behalve de jongen van landgoed Eerde, zag ze twee witte wieven in het Eerder Achterbroek, een broodmagere grijsaard aan de oevers van de Regge, drie heksen op de Luttenberg en een weerwolf bij Hellendoorn. Ze ontmoette die geesten steeds tussen vier en vijf uur in de ochtend. Het maakte niet uit of het zomer, winter, voorjaar of herfst was. Geesten trokken zich blijkbaar niets aan van de seizoenen. Of van het weer. Hedwig kon de vreemde wezens steeds van ver herkennen. Hun hoofd gaf licht, hun lijf was doorschijnend en ze ruisten als ze voor- of achteruit zweefden. Je kon ze gewoon rustig bekijken. Maar als je met een zaklamp of fietslicht op hen scheen, gebeurde er iets vreemds. Dan lieten ze een zacht gefluit horen. In hun hoofd en lijf verschenen gaten. En ze losten helemaal op.

 

Hoe Hedwig al die geesten ontdekte, was eigenlijk doodeenvoudig. Ze vroeg gewoon aan mensen die de streek goed kenden om een spookverhaal of een oude legende te vertellen. In haar aantekenboekje schreef ze alle plaatsnamen op. Thuis pakte ze er een landkaart bij om te kijken of de bosjes, huizen, watertjes of heidevelden die de vertellers hadden genoemd nog bestonden. Op die plekken hield ze dan een paar nachten de wacht. Tot ze de geest ook echt zag. Of tot ze het gevoel had dat daar nooit een geest zou opduiken. Meestal was Hedwig voor half zes weer thuis. Ze sloop dan stilletjes terug naar bed en sliep flink uit. Haar ouders vonden het prima dat Hedwig op zondag tot een uur of elf in bed bleef liggen. Ze hadden niet het flauwste vermoeden dat hun dochter er 's nachts opuit trok.

 

Nu heeft Hedwig wel het geluk dat ze in een streek woont waar veel geesten ronddolen. De omgeving van Den Ham is een afwisselend gebied. Er zijn uitgestrekte bossen, kleine heidevelden, beekjes, moerassen, een heel stel oude boerendorpjes en het landgoed Eerde. Tot ver in de Middeleeuwen woonden er in deze roerige streek heidenen. Heidenen waren mensen die niet in één ware god geloofden, maar in een heleboel verschillende goden. Het vreemde aan heidenen was, dat ze soms in geesten veranderden. Als een heiden bijvoorbeeld op gruwelijke wijze werd vermoord, ging hij niet naar de hemel. Hij bleef gewoon op aarde rondspoken als kwelgeest. Zo'n kwelgeest kon het zijn moordenaar knap lastig maken. De geest kwam dan elke maand of eens per jaar op bezoek. Net zolang tot de moordenaar huilend om vergeving vroeg. Pas dan vond de geest rust en verdween hij naar het schimmenrijk. Aan sommige is nooit vergeving gevraagd. Dat zijn de geesten, die nu nog af en toe opduiken.

 

Vooral rondom het landgoed Eerde bestaan veel verhalen over geesten. Dat heeft te maken met een woeste roofridder die er ooit woonde. Deze Evert van Essen stond in de wijde omtrek bekend om de gemene streken die hij uithaalde. Als een boer hem niet aanstond, hakte hij zijn hoofd er af. En wee je gebeente als hij ergens struikelde. Dan liet hij die hele buurt met de grond gelijkmaken. In zijn woede vermoordde hij heel wat heidenen. En omdat Evert van Essen nooit berouw toonde, veranderden tientallen van die heidenen in geesten. Dat een enkele geest nog steeds op zoek is naar rust, is dan ook geen wonder.

 

Een naam die ook vaak genoemd wordt bij Eerde, is de Groene Jager. Over hem heeft Hedwig wel vijftig verhalen gehoord. Vooral de boswachter van het landgoed heeft haar er veel over verteld. De Groene Jager was de bijnaam van jonker Arent. Dat was een edelman die een eind verderop in een landhuis aan de Regge woonde. Hij droeg altijd een helm met groene veren. Vandaar dat zijn bijnaam de Groene Jager was. Arent was verliefd op een mooie jonkvrouw uit Hellendoorn: Gisella ten Damme. Zij was ook verliefd op hem en ze zouden samen trouwen. Maar ze hadden pech. In Hellendoorn brak de pest uit. Ook de familie Ten Damme werd heel erg ziek. Gisella overleefde de pest maar net. Haar ouders gingen dood. Een oom nam de ernstig verzwakte jonkvrouw mee naar zijn kasteel bij Almelo. Na een paar maanden knapte ze weer een beetje op. Maar ze bleef erg bedroefd over de dood van haar vader en moeder. Het huwelijk met Arent werd een jaar uitgesteld. Ze wilde wachten tot haar verdriet wat minder was.



 

Het eerste stuk van het verhaal van de Groene Jager vond Hedwig altijd het mooiste. Ze kon wel huilen als ze aan die arme Gisella dacht, die daar moederziel alleen bij haar oom woonde. Terwijl die jonker Arent braaf wachtte tot ze zich weer wat beter zou voelen. Het tweede stuk was minder mooi. Dan ging die rottige Evert van Essen zich ermee bemoeien. Toch wilde ze ook dat deel van het verhaal horen. Want daarin werden een hoop mensen gedood. En een van de vermoorde heidenen was vast in die mooie, jonge geest veranderd die zij bij Eerde had gezien.Daarom vroeg ze elke keer weer met een zucht of de boswachter verder wilde vertellen. 

 

Toen Gisella samen met haar oom een jaarmarkt bij Ommen bezocht, zag Evert van Essen haar. De roofridder van Eerde vond de in het zwart geklede jonkvrouw zo mooi, dat hij haar wilde hebben. Wat Gisella van hem dacht, kon Evert geen moer schelen. Hij stapte op haar oom af en vroeg botweg of hij met haar mocht trouwen. De oom wist dat hij Evert niets kon weigeren. Als de roofridder iets niet kreeg, brandde hij de hele boel plat. Daarom zei hij dat hij geen toestemming voor een huwelijk mocht geven. Dat kon alleen de bisschop van Utrecht doen. In die tijd was de bisschop zo'n beetje de machtigste man van het land. Die heerste over heel Utrecht, Gelderland en Overijssel. Evert zou zich wel twee keer bedenken voordat hij de bisschop lastig viel. Maar Evert van Essen was erg koppig en listig. Hij regelde een afspraak met de bisschop. Hij, jonker Arent en de bisschop zouden bij elkaar komen en dan zou de bisschop bepalen wie van hen beiden met Gisella mocht trouwen. Tegelijkertijd stuurde hij vijftig zwaar bewapende ruiters op weg om Arent gevangen te nemen. Dan zou hij de enige huwelijkskandidaat zijn en moest de bisschop wel voor hem kiezen. De ruiters overvielen jonker Arent aan de rand van het landgoed Eerde. Ze doodden alle mannen die met hem meereden. Alleen Arent werd gespaard. De ruiters namen hem mee naar het kasteel en sloten hem op in de kerker.

 

Hedwig had op een kaart terug kunnen vinden waar de ruiters Arent en zijn mannen hadden aangevallen. Het moest in het bos langs de Hammerweg gebeurd zijn. Op de plek waar nu het zwembad ligt. Het oude huis dat bij het zwembad staat, heet ook de Groene Jager. Zeker eens in de maand fietste Hedwig in alle vroegte naar het Hammerzwembad. Om van daar verder de donkere bossen van Eerde te doorkruisen. Nog twee keer zag ze een glimp van de jongen met de groene veren op zijn hoed. Op 10 april bij de Baron van Pallandtlaan en 10 november op de Kruupweg. Beide keren gleed hij er zacht ruisend vandoor als ze hem aansprak. Niet erg snel. Maar wel sneller dan zij in het donker kon fietsen. Ze wist nu heel zeker dat het nooit de geest van jonker Arent kon zijn. Haar geest was een stuk jonger. Bovendien was de jonker geen heiden en was hij ook niet gedood bij de overval, maar gevangengenomen. Misschien zaten er nog aanwijzingen in het laatste deel van het verhaal van Arent en Gisella. Vooral ook omdat de boswachter daarin een heidin noemde. Hedwig hoefde niet eens in haar aantekeningen te kijken om te weten hoe de trieste liefdesgeschiedenis afliep. Ze kende die uit haar hoofd.

 

Toen Evert van Essen vroeg of hij met Gisella mocht trouwen, weigerde de bisschop. Een heidin die Jolanda heette, had de bisschop van de overval verteld. Bovendien verklapte de vrouw dat Evert van Essen geen christen was, maar een heiden. De bisschop beval Evert om Arent onmiddellijk vrij te laten. Evert weigerde. Waarop de bisschop zijn machtige leger liet komen. Bij deze strijd werd kasteel Eerde tot de grond toe afgebrand. Maar de schurk ontkwam. Samen met een deel van zijn ruiters en de gevangengenomen Arent ontsnapte Evert naar het buitenland. Vele jaren later keerde hij terug. Alsof er niets gebeurd was, herbouwde de roofridder zijn kasteel, sloot Arent weer op in de kerker en pikte Gisella in. De jonkvrouw moest niets van Evert weten. Ze heeft nooit een woord tegen hem gesproken. Uiteindelijk gooide Evert haar ook maar in de kerker.

 

Misschien heeft Gisella daar haar geliefde Arent teruggevonden. Honderden jaren later werden in een ondergrondse ruimte twee geraamtes gevonden.Van een man en een vrouw. Hun botten lagen over elkaar heen en er lagen verroeste kettingen bij. Wat er met Evert van Essen is gebeurd, is niet duidelijk. Vijf jaar nadat hij Gisella had opgesloten, verdween hij spoorloos. Er wordt beweerd dat een weerwolf hem gegrepen heeft. Anderen zeggen dat de heidin hem om zeep heeft geholpen.

 

Deze ochtend heeft Hedwig goede hoop dat ze iets meer over de geest van Eerde te weten zal komen. Het is zondag 10 juni. Als het goed is gaat het zo meteen al schemeren. Wellicht is het dan licht genoeg om de geest op haar fiets te achtervolgen. Bovendien heeft Hedwig de afgelopen weken flink geoefend. Ze kent bijna elke bocht en kuil van de bosweggetjes op het landgoed, waarvan ze denkt dat de geest die volgt. Ook heeft ze ontdekt dat een zonnebril goed helpt. Op de verlichte Ham­merweg houdt ze die op. Zodra ze een donker bospad ingaat, zet ze de zonnebril af. Zo ziet ze gelijk iets beter en hoeft ze niet te wachten tot haar ogen aan het duister gewend zijn.



 

Het is nu vijf voor vier en Hedwig staat op de uitkijk bij het Hammerzwembad. Zonnebril op en de fiets alvast in de laagste versnelling. Stipt om vier uur ziet Hedwig op het meest linkse bospad een schim. Ze rijdt eropaf en begint te roepen: 'Jongen, jongen, wacht eens. Ik wil je wat vragen.' Maar de geest denkt er niet aan om te wachten. Hij zweeft het bospad verder in. Hedwig snelt hem achterna. Na vijf meter is het al volkomen donker. In de verte ziet Hedwig het hoofd schijnen. Ze gooit haar zonne­bril af Het pad is nu iets beter te zien. Ze laat haar benen op volle snelheid draaien en schakelt een versnelling hoger. Het valt niet mee om de hobbels en afgebroken takken in het donker te ontwijken. Hedwig voelt de fiets woest onder zich bonken. Maar ze gaat door. Ze merkt dat het hoofd van de geest groter en lichter wordt. Ze komt dus al iets dichterbij. Hedwig wil nog een versnelling hoger schakelen. Met haar rechterhand zoekt ze het hendeltje. Plots hoort ze een harde tik... Het volgende moment ligt ze op de grond. Ze moet iets geraakt hebben met haar voorwiel. Een dikke tak misschien? Hedwig krabbelt weer overeind. De geest is niet meer te zien.

 

Ze zet haar fiets overeind en doet de zaklantaarn aan die op het stuur zit. In de lichtstraal ziet ze een uit de grond gerukt paaltje liggen. Daar is ze dus tegenaan gereden. Gelukkig lijkt haar voorwiel nog heel. Er zit alleen een slag in. Ze stapt op haar fiets en rijdt terug naar het zwembad en de Hammerweg. Zo snel ze kan fietst ze verder over het asfalt, richting Ommen. Door de slag in haar wiel gaat het erg zwaar en zwalkend, maar ze schiet toch goed op. De Kasteellaan laat ze links liggen. Pas bij de Baron van Pallandtlaan houdt ze stil. Ze weet zeker dat de geest deze laan zal nemen. Ze zet haar fiets tegen een boom en loopt de laan een eindje in. Dan draait ze zich om en wacht af.

 

Het duurt vijf minuten. Tien minuten. Hedwig begint nu toch wel te twijfelen. Misschien kan ze het toch beter bij de Kasteellaan proberen? Maar net als ze terug wil lopen naar haar fiets, ziet ze een vaag schijnsel aan de overkant van de Hammerweg. Het komt dichterbij, verdwijnt even als het de Hammerweg oversteekt. En verschijnt weer op de Baron van Pallandtlaan. Het is bijna twee jaar geleden dat Hedwig de jongen met de groene veren van zo dichtbij heeft gezien. Hij is geen spat veranderd. Dezelfde rode mond en blauwe ogen. En nog steeds een jaar of veertien oud. 'Stop nu toch eens,' roept Hedwig, 'ik doe je echt geen kwaad.' De geest schuift snel naar links. Hedwig doet ook twee stappen naar links. Ze staat nu pal voor zijn neus... Dan glijdt de jongen dwars door haar heen... Hedwig voelt haar hele lichaam koud worden. Maar ze geeft niet op. Ze draait zich razendsnel om en grijpt naar zijn hoed. De hand van Hedwig gaat dwars door de hoed. Alsof het een wolk is. Maar daaronder zit wel iets hards. Het is een soort dopje. Hedwig pakt het vast en bekijkt het eens goed. Het is een zilveren vingerhoedje. 'Hé, geef terug,' roept de geest, 'dat is van mij. Het is erg belangrijk.' 'Je krijgt het zo terug hoor', antwoordt Hedwig. 'Maar dan moetje me wel eerst vertellen wie je bent en watje hier eigenlijk uitspookt.'

 

'Ik heet Jan', begint de jongen. 'Ik ben een schildknaap van jonker Arent. Dat kun je zien aan de drie groene veren op mijn hoed. We zijn zojuist overvallen door een groep ruiters van Evert van Essen. Arent heeft me die vingerhoed gegeven en gezegd dat ik die zo snel mogelijk naar de bisschop moet brengen. Hij heeft die vingerhoed van Gisella gekregen. Het is het bewijs dat zij van Arent houdt en met hem wil trouwen. Maar ik heb geen idee waar die bisschop is. Daarom ga ik nu maar naar mijn moeder. Die woont in een boerderij aan het einde van deze laan. Misschien kan zij de bisschop voor mij zoeken. Ik voel me niet zo best. Volgens mij heeft een van die ruiters mij lelijk verwond.' 'Aha', roept Hedwig daarop uit. 'Ik snap het al. Heet jouw moeder soms Jolanda? Weet je, zij heeft de bisschop al gewaarschuwd. Volgens mij kunnen we beter op zoek gaan naar die Evert. En ik denk dat ik wel weet waar die uithangt. Kom mee.'

 

Terwijl Hedwig de laan afrent, volgt de geest haar op de hielen. Ze gaan langs de oude hoeven, over de Eerder Es, dwars door de zompige Eerder Hooilanden naar de Regge. Het is inmiddels vijf voor vijf. Het is al bijna licht. In de struiken langs het riviertje zitten tientallen vogels luid te fluiten. Over het water en het grasland hangt een dikke deken van mist. Van de lange, oude man die aan de oever staat is ruim de helft zichtbaar. Van het puntje van zijn lange, grijze baard tot de kruin van zijn kale bol. Omdat het al bijna dag is, kun je nauwelijks nog zien dat zijn hoofd licht geeft.

 

'Jij bent zeker Evert van Essen', hijgt Hedwig als ze voor de oude geest stilhoudt. 'Helaas wel', zucht de grijsaard. 'Ik geloof er helemaal niets van,' komt Jan tussenbeide, 'Evert van Essen is een grote, dikke vent. En jij bent zo mager als een lat.' 'Ja, ja,' mompelt de oude man, 'vroeger was ik lekker gevuld. Maar een dolgeworden boerin uit de buurt heeft me met een mes in mijn buik gestoken. Daarna ben ik erg mager geworden. Ik kom hier elke avond drinken. Maar alles wat ik binnenkrijg, loopt er gewoon weer uit. Die vervloekte heidin. Als ik haar te pakken krijg, sla ik haar dood.'

 

'Houd je mond maar weer dicht, Evert', zegt Hedwig streng. 'Die vrouw die jou gestoken heeft, is vast en zeker de moeder van Jan. Het is je eigen schuld. Jij hebt haar zoon laten vermoorden. En volgens mij heb je nog veel meer moorden op je geweten. Zak maar eens heel diep op je knieën en vraag Jan om vergeving. Dan komt het misschien wel weer goed.'

 

En zo gebeurde het. De oude Evert knielde en gaf toe dat hij spijt had van het moorden en branden. Daarop pakte Hedwig het zilveren vingerhoedje en duwde het stevig in zijn steekwond. Zo kon er geen water meer uit stromen. De geest werd een stuk dikker, zakte toen helemaal uit en verdween in de mistdeken. Hedwig keek om naar Jan. Maar die was ook al verdwenen. Een beetje bedroefd keerde ze terug naar huis. Voorlopig zou ze wel geen geesten meer zien bij Eerde. Ook moest ze nog een goede smoes bedenken om uit te leggen hoe die slag in haar voorwiel gekomen was.

EINDE